21 –
kind is groter dan ik.
|
|
22 – De bakker is een
|
|
23 – Het geld bestaat uit munten en
|
|
24 – Een verliefd stelletje zat op een bank in het park en straalde van .
|
|
25 – Ik koester de om eenmaal naar India te reizen.
|
|
26 – Het is vandaag de eerste januari. Wat zeg je?
|
27 – De vrouw,
daar zit, is mijn secretaresse.
|
|
28 – Ik weet niet hij morgen komt.
|
|
29 – Ik weet niet hij komt.
|
|
|